De taal en het brein
Taal is een ingewikkeld fenomeen: het vereist niet alleen opslag van een paar duizend woorden in het geheugen, maar met dat toch beperkte aantal kunnen we een oneindig aantal zinnen maken. En dat leren kinderen buitengewoon snel, hoe kan dat? Bij de geboorte hebben we het vermogen om iedere willekeurige taal te kunnen leren, maar naar mate we ouder worden, is het leren van een taal veel moeilijker. Dat heeft onder andere met waarneming van klanken te maken; we herkennen sommige verschillen in andere talen niet, omdat we die in onze moedertaal niet hebben.

Sommige ziekten hebben invloed op het taal vermogen, omdat het brein aangetast is: bijvoorbeeld Alzheimer, of autisme. Vaak zien we dat een beroerte gedeeltes van de hersenen aantast die gespecialiseerd zijn voor taal. Spraak wordt dan ongrammaticaal, of betekenisloos (afasie).

Hersenonderzoek in samenhang met taal is een spannende tak van wetenschap. Hersenactiviteit bij het horen van taal (en bij grammaticale fouten) kan met EEG gemeten worden. En fMRI maakt activiteit van de hersenen zichtbaar bij bepaalde taalopgaven. Het kan ook eenvoudiger: reactietijd meten bij het herkennen van woorden (doe de Strooptest), of de befaamde Wug-test van Berko. Men ziet een onbestemd beestje en zegt: “This is a wug. Now there are two. There are two........ “. Antwoord: “ wugs”.  Dat kan ook met andere verbuigingen. In het Nederlands: “dit is een grote wug en dat is een klein......” tja, wat eigenlijk?